Zwembad Rozengaarde 

Een uurtje ‘baantjes trekken’: zodra ik eraan begin lijkt het heel even dé ultieme mindfulness oefening. Ik voel me immers zo licht als een veertje in het water. Daarbij ligt mijn focus enkel op de lange slagen die ik maak en is ook het uitzicht allesbehalve overprikkelend wanneer ik mij op mijn rug draai: een saai hoog plafond met TL-verlichting. Zelfs de ruis in mijn oren ervaar ik niet als ruis, eerder als rustgevend.

Maar al gauw word ik uit mijn bubbel gerukt. Tegenliggers. En ze zijn minstens 2,5 keer zo oud als ik, dus moet ík uitwijken. Conclusie: slalommend om de (zeer gewaardeerde) oudjes heen zwemmen. Mindfulness staat plots 1-1 gelijk, bedenk ik mij in het wedstrijdbad, met mijn oog op de vele digitale klokken aan de wand. Na een paar baantjes schoolslag confronteren de enorme rode cijfers mij met het feit dat er pas 2 minuten en 12 seconden zijn verstreken. 
Jeetje, wat gaat de tijd tergend langzaam, denk ik.

Dat was vroegah wel anders op deze plek – toen vloog de tijd. We noemden dit toen niet het wedstrijdbad, maar ‘het grote’ of ‘het koude’ bad. Koud, dat was het. Vooral als je net uit het met lauwe pies doordrenkte pierenbadje kwam natuurlijk. 
Je onderdompelen in het koude bad ging nooit zonder slag of stoot: eerst even dippen met de grote teen, dan met de hele voet om vervolgens te gaan zitten op de kant zodat je bungelende benen konden wennen.
Tja, dan kon je natuurlijk wachten op een duwtje in de rug: kopje onder.
Achteraf de beste manier, weet ik nu.

Duwen. Dat was wel waar het om draaide tijdens een middagje of avondje (disco-)zwemmen. Wilde je op de kop van ‘de spin’ zitten, moest je om daar te komen eerst wat andere kids van de poten afgooien en vervolgens van de kop zelf. Als je die missie had volbracht en naar boven was geklauterd voelde je je heel even de heldin – vooral als meisje. Kijk mij eens! Helemaal boven! Woehoeee! En rap lag je weer in het water omdat ‘kleintjeskamp’ je eraf mepte. BAM.
De glijbaan dan, even een duw, dat ging sneller. Of een trap met de voeten tegen de rug van je voorganger, die besluit het glijden te staken in het midden van de buis. ‘Treintje spelen’ met een hele groep, dat was het aller-allermooiste want: gevaarlijk. 
En als de zoemer ging betekende dat, in de stroomversnelling. Eruit, dat was voor velen een ander verhaal. Want wat deed je als je iemand – die zich na een paar rondjes eindelijk heeft vastgeklampt aan het muurtje – naar adem ziet happen? Precies, die dauwde je weer linea recta terug in de kolk. 

Om aan al deze recreatieve ongein deel te kunnen nemen, moest je natuurlijk wel kunnen zwemmen. Van mijn ouders moest ik als kleuter dan ook zwemdiploma A en B halen. Daarna mocht ik zelf een sport kiezen. Met twee vingers in m’n neus haalde ik A, B en vooruit, ook C. ‘Je moet doorgaan’, zei de badmeester tegen mij, waterrat in spe. Maar ik was na 2,5 jaar zwemles wel weer uitgekeken op het badpak met stippen. Dat moest ingeruild worden voor een roze tutuutje.

Eeuwig zonde?
Misschien wel. Als professioneel zwemster had ik vast een huis met ondergronds privé zwembad kunnen inbouwen: heerlijk baantjes trekken zonder zicht op badmutsen, grijze coupes en de tijd. 
Mèt discozwem-feestjes in het weekend: opblaasbare flamingo’s, cocktails en onverwachte duwtjes vanaf de kant. 

60 minuten en 3 seconden. 
Ah, dat ging achteraf toch best snel, met al die aangewakkerde hersenspinsels.
Wint mindfulness alsnog: 2-1. 

1 reactie


  1. // Beantwoorden

    Haha zo herkenbaar! Al kwam ik überhaupt nooit op die spin. Ik was bang voor ‘bounty’ die daar op de een of andere manier altijd was als ik ook in het zwembad was.
    Wat zwem jij lang joh!! Ik ben na 30 minuten (=1km) wel klaar. Het slalommen is ook herkenbaar overigens. Dinsdag mag ik weer!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.